top of page
Zoeken

De BTW Vrijstelling voor Sociaal-Culturele Instellingen





De omzet van sociaal-culturele instellingen is veelal vrijgesteld van BTW op grond van art. 11, iid 1, onderdeel f Wet op de Omzetbelasting.

Ingevolge art. 7, lid 2, onderdelen a en b Uitvoeringsbesluit Wet op de Omzetbelasting zijn leveringen en diensten die zijn aangewezen vrijgesteld, het gaat om:

-     leveringen en diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid, met de bescherming van kinderen en jongeren en door bejaardentehuizen; en

-     Diensten van culturele aard andere dan die genoemd in de bij de Wet op de Omzetbelasting behorende Tabel I, onderdeel b, alsmede nauw daarmee samenhangende leveringen.

Voor zover met deze leveringen en diensten geen winst wordt beoogt en niet een verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen en welke worden verricht door een publiekrechtelijk lichaam of door een andere organisatie die, na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek, door de inspecteur ter zake bij voor bezwaar vatbare beschikking is erkend als instelling van sociale of culturele aard. 

 

De inspecteur geeft in deze beschikking aan welke activiteiten van een instelling behoren tot dan wel niet behoren tot de aangewezen leveringen en diensten.

Op basis van artikel 7, lid 3 Uitvoeringsbesluit Wet op de Omzetbelasting trekt de inspecteur de erkenning in en vervangt deze al dan niet door een nieuwe erkenning bij:

-     Wijzigingen in de aard en samenstelling van de leveringen en diensten van de instelling; of

-     Het beogen van winst door de instelling; of

-     Het optreden van een verstoring van concurrentieverhoudingen ten opzichte van ondernemers die winst beogen.

Indien één van bovengenoemde situaties zich voordoet, dient dit te worden gemeld aan de inspecteur.

Wanneer de belastingplichtige de erkenning of niet-erkenning als instelling van sociaal-culturele aard betwist, staat het aan de nationaal rechterlijke instantie om na te gaan of de inspecteur de grenzen van de krachtens bovengenoemde bepaling toegegekende beoordelingsbevoegdheid heeft geëerbiedigd met inachtneming van de beginselen van het Unierecht, waaronder met name het beginsel van gelijke behandeling, dat in BTW-zaken uitdrukking vindt in het beginsel van fiscale neutraliteit.

Hieruit volgt dat bij de toepassing van deze vrijstelling ten aanzien van twee belastingplichtigen die dezelfde activiteiten verrichten en waarvan de exploitatievorm of de voorwaarden onder het verrichten van sociaal-culturele diensten vergelijkbaar zijn, niet de ene belastingplichtige wel als instelling van sociaal-culturele aard kan erkennen maar de andere niet, op straffe van schending van het beginsel van fiscale neutraliteit.

 

In internationaal verband dient erkenning plaats te vinden in het land waar de prestatie wordt verricht.

De diensten waarbij voor bejaarden aangepaste woonruimten ter beschikking worden gesteld, in aanmerking komen voor de vrijstelling. Voor de andere door deze assistentiewoning verstrekte diensten kan eveneens aanspraak worden gemaakt op de vrijstelling, in het bijzonder ingeval deze diensten, die de assistentiewoningen volgens de relevante nationale wettelijke regeling gehouden zijn aan te bieden, strekken tot bejaardenzorg en ‑bijstand en overeenkomen met die welke ook de bejaardentehuizen overeenkomstig de betrokken nationale wettelijke regeling moeten aanbieden.

Het is dienaangaande irrelevant dat de exploitant van een assistentiewoning, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, subsidie of enig ander voordeel of financiële steun van de overheid ontvangt.

De vrijstelling geeft geen beperking aan ten aanzien van de plaats waar de diensten worden verricht en bepaald ook niet dat de prestatieverrichter en afnemer in dezelfde lid-staat zijn gevestigd. De plaats sociaal-culturele diensten in internationaal verband is daar waar de dienstverrichter is gevestigd.

Wat ook belangrijk is dat de vrijstelling alleen van toepassing is bij leveringen en diensten in het algemeen belang.

Goederenleveringen en diensten zijn uitgesloten van de vrijstelling indien:

-     Zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde prestaties; of

-     Wanneer zij in hoofdzaak strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen welke worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de BTW onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen. 

 

Niet vrijgestelde sociaal-culturele activiteiten

De volgende activiteiten zijn wel belast met btw ingevolge artikel 7, lid 4, Uitvoeringsbesluit Wet op de Omzetbelasting:

  • de verkoop van goederen die in arbeidstherapie worden gemaakt en de diensten die daarbij worden geleverd; en

  • diensten aan personen die niet in aanmerking komen voor de vrijstelling voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg, bijvoorbeeld het schoonhouden van de woonruimte, waarbij de kosten volledig worden gefinancierd door de klant.

Volgens art. 6b, Uitvoeringsbeschikking Wet op de Omzetbelasting vallen de volgende diensten niet onder de sociaal-culturele vrijstelling, tenzij in Bijlage B (zie hieronder) anders is bepaald:

-     het verstrekken van spijzen en dranken;

-     het verrichten van onderzoek. Onderzoek is belast omdat onbelast onderzoek de concurrentie verstoort met commerciële bedrijven. Dit geldt niet voor medische onderzoeken voor de behandeling van individuele personen;

-     het ter beschikking stellen van personen; en

-     het verzorgen van loon- en salarisadministraties, financiële administraties en grootboekadministraties.

Volgens lid 5 van artikel 7 Uitvoeringsbesluit Wet op de Omzetbelasting wordt onder het niet beoogen van winst, bedoeld in het tweede en derde lid, verstaan dat niet systematisch het maken van winst mag worden beoogt en, zo er wel winst wordt gemaakt, deze niet mag worden uitgekeerd, maar die winst moet worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de leveringen en diensten die worden verleend. 

 

Vrijgestelde instellingen

Er zijn 2 soorten vrijgestelde instellingen:

  • door de overheid geselecteerde categorien van sociale en/of culturele instellingen; en

  • individueel aangewezen instellingen.

Door de Overheid geselecteerde categorieën van vrijgestelde sociaal-culturele instellingen ingevolge Bijlage B zijn:

a.   (vervallen)

b.  De leveringen en diensten bedoeld in artikel 7 van het Besluit Wet op de Omzetbelasting, die als zodanig worden verricht door de hierna genoemde instellingen:

 

1) Kruisverenigingen;

2) Instellingen tot bestrijding van tuberculose;

3) Instellingen voor reumatiekbestrijding;

4) Instellingen werkzaam op het goed van de Eerste Hulp Bij Ongevallen;

5) Instellingen werkzaam op het gebied van adoptiebemiddeling

6) Scholen voor langdurig zieke kinderen;

7) Consultatieburaeus voor alcohol en drugs;\

8) Bureaus voor seksuele en huwelijksvoorlichting, alleen voor diensten;

9) Instellingen van verpleging, wijkverpleging, kraam- en gezinsverzorging, (inclusief algemene verzorging en huishoudelijke hulp), voorzover deze worden verleend aan personen die fysiek of economisch hulpbehoevend zijn, dit geldt ook ten behoeve van personen die geestelijk hulpbehoevend zijn en die er toe strekken hen te beschermen bij burgerlijke handelingen, wanneer deze personen hier zelf niet in kunnen voorzien zonder het risico te lopen dat hun eigen financiële of andere belangen worden geschaad, welk risico juist de vaststelling van hun wettelijke handelingsonbekwaamheid heeft 

gerechtvaardigd, voor zover de diensten niet kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid, onderdelen c en g, van de Wet op de Omzetbelasting;

10)             Speeltuinverenigingen;

11)             (vervallen)

12)             Dagverblijven voor gehandicapten;

13)             Ziekenhuizen, poliklinieken, psychiatrische inrichtingen en dergelijke inrichtingen, voor zover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschit onder artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de Omzetbelasting;

14)             Instellingen van zeemanszorg, mede voor het verstrekken van spijzen en dranken;

15)              

a)  Aanbieders van preventie als bedoeld in arrtikel 1.1 van de Jeugdwet, mede voor het ter beschikking stellen van personeel;

b) Instellingen die werkzaam zijn op het terrein van het bevorderen van sociale samenhang en leefbaarheid als bedoeld in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015, voor zover werkzaam op het gebied van club- en buurthuiswerk;

16)             Instellingen die zich bezighouden met vormingswerk in internaatsverband, mede voor het verstrekken van spijzen en dranken;

17)             Samenwerkingsverbanden als bedoeld in art. 18a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs of landelijke samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, voor zover zij werkzaamheden verrichten als uitvloeisel van het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 18a, achtste lid, van die Wet op de Omzetbelasting;

18)             Samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of

landelijke samenwerkingsverbanden als bedoeld in artikel 2.47, achtiende lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, voor zover zij werkzaamheden verrichten als 

uitvloeisel van het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 2.47, negende lid, van die Wet;

19)             Instellingen die zich ten doel stellen de bestrijding van bos- en heidebranden;

20)             Samenwerkingsveerbanden op het gebied van multtidiscipllinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten

voor zorgprestaties declareren voor zover deze diensten worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet en nader staan beschreven in de door de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze vormen van zorg vastgestelde beleidsregels ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg;

21)             (vervallen)

22)             Militaire tehuizen, mede voor het verstrekken van spijzen en dranken;

23)             Instellingen op het gebied van bejaardenzorg voor prestaties die in het bijzonder zijn gericht op het handhaven of bevorderen van de mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen, mede voor het verstrekken van spijzen en dranken, maar met uitzondering van leveringen en diensten in het kader van personeelsarlamering;

24)             (vervallen)

25)             Gemeenten of door gemeenten aangewezen rechtspersonen voor prestaties verricht op grond van artikel 7 van de Participatiewet;

26)             (vervallen)

27)             Instellingen die schoolbegeleiding verzorgen als bedoeld in artiel 185 van de Wet op de expertisecentra en artikel 2.46 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

28)             (vervallen)

29)             Instellingen voor algemeen maatschappelijk (voor algemeen maatschappelijk werk is geen verzoek aan de inspecteur nodig omdat dit ook onder een andere BTW-vrijstelling valt) en bedrijfsmaatschappelijk werk; 

 

Beschermingsbewind als bedoeld in artikel 1:431 BW en curatele in de zin van artikel 1:378 BW brengen mee dat diensten die als zodanig worden verricht door bewindvoerders of curatoren, en diensten die inherent zijn aan beschermingsbewind of curatele, diensten zijn die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid en daarmee onder post b.29 van Bijlage B kunnen worden gebracht. In dit verband verdient opmerking dat de in die post gestelde voorwaarde dat de leveringen en diensten als zodanig worden verricht door een instelling van maatschappelijk werk meebrengt dat de betrokken instelling blijk moet geven van een duurzaam sociaal engagement, zodat kan worden gezegd dat de onderneming die zij drijft van sociale aard is.

30)             Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, mede voor het verstrekken van spijzen en dranken en het ter beschiking stellen van personeel;

31)             Natuurijsbanen, alleen voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening;

32)             Instellingen ter bestrijding van hart- en vaatziekten voorzover het reanimatieonderwijs betreft, die daarvoor via convenanten nauw samenwerken met de Nederlandse Hartstichting;

33)             Instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling voor zover de diensten niet kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid, onderdeel j van de Wet op de Omzetbelasting;

34)             Amateurtoneelverenigingen;

35)             Amateurmuziekverenigingen;

36)             Carnavalsverenigingen;

37)             Kleindierverenigingen. 

 

Instellingen met winstoogmerk

Op basis van de algemene aantekening bij Bijlage B, Hoge Raad 14 april 2023, nr. 20/02590, ECLI:NL:HR:2023:460 en het Besluit van de Staatssecretaris - Omzetbelasting, sociaal-culturele vrijstelling, aangewezen instellingen die winst beogen geldt de voorwaarde dat de instelling geen winstoogmerk mag hebben geldt niet voor:

  • instellingen voor wijkverpleging;

  • diensten aan gehandicapten met een indicatiebesluit; en

  • aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, zoals in artikel 1.1. van de Jeugdwet staat;

  • samenwerkingsverbanden voor multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg die kosten voor zorgprestaties declareren, voor diensten die voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • ze worden bekostigd op grond van de Zorgverzekeringswet;

  • ze staan beschreven in beleidsregels, die de Nederlandse Zorgautoriteit voor deze zorgprestaties heeft vastgesteld ingevolge de Wet marktordening gezondheidszorg;

  • instellingen voor algemeen maatschappelijk en bedrijfsmaatschappelijk werk; en

  • instellingen voor schuldhulpverlening (inclusief preventie). 

 

De terbeschikkingstelling van personeel, bedoeld in onderdeel b, post 15, onder a en post 30, dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)  De uitlener is aanbieder van preventie, jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en past voor zijn primaire activiteiten de vrijstelling toe van artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de Omzetbelasting;

b) De inlener zet het personeelslid in voor leveringen en diensten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de Omzetbelasting in samenhang met

artikel 7, eerste lid, en bijlage B, onderdeel b, post 15, onder a of post 30;

c)  De terbeschikkinngstelling van het personeel is onontbeerlijk voor het verrichten van deze vrijgestelde prestaties; en

d) De terbeschikkingstelling van het personeel strekt er in de hoofdzaak niet toe extra opbrengsten te verkrijgen door de uitlener in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemer die aan de heffing van belasting zijn onderworpen. 

 

Structureel uitlenen van personeel in de sociaal-culturele sector is vrijgesteld van BTW op basis van Besluit Staatssecretaris

Het ter beschikking stellen van personeel vindt onder verschillende aanduidingen plaats (detacheren, uitlenen, ter beschikking stellen). In het kader van dit besluit wordt eronder verstaan de situatie waarin de uitlener personeel ter beschikking stelt aan de inlener waarbij dat personeel onder toezicht of leiding van de inlener arbeid verricht. Ook als het personeel over specifieke vakkennis beschikt, al dan niet gecombineerd met de specifiek aan het desbetreffende beroep gekoppelde verantwoordelijkheid, kan het onder toezicht of leiding van de inlener staan.

De Hoge Raad heeft in 2014 twee arresten gewezen over de toepassing van de btw-vrijstelling voor werkzaamheden van verpleegkundigen.2 De werking van deze arresten blijft niet beperkt tot de medische sector maar strekt zich uit tot alle economische sectoren. Voor het onderscheid tussen het ter beschikking stellen van personeel en een andere prestatie sluit de Hoge Raad in deze arresten aan bij de overeengekomen werkzaamheden. Om die reden kan voor het onderscheid tussen het ter beschikking stellen van personeel en een andere (mogelijk vrijgestelde) dienst in beginsel worden aangesloten bij het voorwerp van de overeenkomst en (als werknemers de opdracht uitvoeren) het werkgeversgezag over het ter beschikking gestelde personeel.

 

Er is geen sprake van het ter beschikking stellen van personeel – maar van een andere prestatie – als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

·         tussen partijen is een overeenkomst tot opdracht tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden gesloten, waarbij de presterende ondernemer zich tegenover zijn afnemer verbindt bepaalde werkzaamheden uit te voeren waarbij die ondernemer verantwoordelijk is voor het resultaat, de inhoud en de kwaliteit van die werkzaamheden;

·         de te verrichten werkzaamheden zijn in die overeenkomst zodanig beschreven dat de aard van die werkzaamheden duidelijk blijkt. Het is niet nodig dat de werkzaamheden gedetailleerd zijn beschreven;

·         uit de overeenkomst blijkt dat tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer geen arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst bestaat of enige andere juridische band waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ontstaat; én

·         er wordt ook feitelijk zo gehandeld.

Aan deze voorwaarden kan ook zijn voldaan als de eindverantwoordelijkheid (onder andere voor de kwaliteit van de geleverde zorg of ondersteuning) bij de opdrachtgever blijft.

Als op basis van bovenstaande voorwaarden sprake is van een andere prestatie dan het ter beschikking stellen van personeel, dient voor deze prestatie te worden beoordeeld welk btw-regime daarop van toepassing is. 

 

Ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector

Er is in dit Besluit  goedgekeurd dat onder voorwaarden het structureel ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector buiten de btw-heffing kan blijven. Er is een nadere uitleg opgenomen over bepaalde voorwaarden voor de vrijstelling voor het ter beschikking stellen van personeel in het kader van de Wmo-zorg en de Jeugdzorg.

Bij structureel ter beschikking stellen van personeel (onderdeel 3.2) geldt de goedkeuring voor al het personeel (zowel ondersteunend personeel als zorgpersoneel) dat wordt ingezet voor of bij het verrichten van prestaties waarvoor de inlener een beroep kan doen op de vrijstellingen van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet – de sociaal-culturele vrijstelling.

Bij niet structureel ter beschikking stellen van personeel  in het kader van de Wmo- en Jeugdzorg geldt de vrijstelling alleen als personeel wordt ingezet voor primaire activiteiten die onder dezelfde vrijstelling vallen.

Met toepassing van artikel 63 van de Awr keur ik het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat bij het structureel ter beschikking stellen van personeel in de sociaal-culturele sector btw-heffing achterwege blijft. Daarbij gelden de volgende voorwaarden.

Voorwaarden

·         a.het personeelslid moet ter beschikking worden gesteld door een uitlener die zich met betrekking tot zijn primaire activiteiten kan beroepen op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet; 

·         b.het personeelslid moet ter beschikking worden gesteld aan een inlener die voor de prestaties waarvoor het betrokken personeelslid wordt ingezet een beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet;

·         c.de terbeschikkingstelling van het personeelslid moet structureel van karakter zijn. Met structureel wordt bedoeld: voor onbepaalde tijd. Dit moet blijken uit de arbeidsovereenkomst die het personeelslid met de uitlener (de formele werkgever) sluit. Die moeten zijn afgesloten voor onbepaalde tijd. Wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moet uit de feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat de intentie van zowel de uitlener als van het personeelslid erop is gericht de overeenkomst voor bepaalde tijd om te zetten in een overeenkomst voor onbepaalde tijd zodra de overeenkomst voor bepaalde tijd afloopt;

·         d.de inlener moet inhoudelijk zijn betrokken bij de sollicitatieprocedure van het personeelslid. Deze voorwaarde geldt niet voor de gevallen waarin het personeelslid, nadat hij eerst enige tijd uitsluitend voor de uitlener werkzaam is geweest, voor een deel van dan wel voor de volledig beschikbare werktijd structureel aan een andere ondernemer ter beschikking wordt gesteld;

·         e.het personeelslid moet zijn werkzaamheden in beginsel bij één in de arbeidsovereenkomst c.a. te noemen ondernemer verrichten. Ook als het personeelslid bij meer dan één ondernemer feitelijk werkzaam is, kan btw-heffing achterwege blijven als het personeelslid structureel bij die andere in de arbeidsovereenkomst c.a. te noemen ondernemer(s) werkzaam is. Als een personeelslid echter steeds voor een relatief korte periode bij verschillende ondernemers zijn werkzaamheden uitvoert, kan btw-heffing niet achterwege blijven voor het ter beschikking stellen van dat personeelslid;

·         f.op het betrokken personeelslid moet de cao van toepassing zijn die geldt voor de ondernemer(s) waar hij feitelijk zijn werkzaamheden uitvoert;

·         g.de vergoeding voor het ter beschikking stellen van het personeelslid moet beperkt blijven tot de brutoloonkosten van dat personeelslid. Het berekenen van een redelijke kostenvergoeding van maximaal 5% van de brutoloonkosten voor de werkzaamheden die zijn verbonden aan het optreden als uitlener vormt geen belemmering om btw-heffing achterwege te laten. Met het ter beschikking stellen van personeel als geheel mag echter geen winst worden beoogd of gemaakt. Een incidenteel exploitatieoverschot leidt overigens niet direct tot heffing van omzetbelasting;

·         h.bij beëindiging van de relatie tussen de uitlener en de inlener moet de inlener verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van de beëindiging van die relatie voor de bestaande arbeidsovereenkomst(en) tussen de uitlener en het tot de datum van beëindiging van de relatie bij de inlener werkzame personeelslid. De hier bedoelde verantwoordelijkheid moet betrekking hebben op de financiële gevolgen van de beëindiging van de bedoelde relatie en ook op het door de inlener, binnen de voor hem bestaande mogelijkheden, medewerking verlenen aan het zoeken naar een nieuwe werkkring voor het betrokken personeelslid. De inlener is slechts verantwoordelijk voor de financiële gevolgen die betrekking hebben op de periode dat het personeelslid aan hem ter beschikking is gesteld.

De essentie van de hiervóór onder c t/m h vermelde voorwaarden is dat de inlener in materieel opzicht de positie van werkgever inneemt. Dat komt het sterkst tot uitdrukking in de onder h genoemde voorwaarde. Die voorwaarde houdt in dat

de inlener verantwoordelijk moet zijn voor de financiële gevolgen van het beëindigen van het inlenen van het personeelslid. In de praktijk blijkt dat als aan die voorwaarde is voldaan doorgaans ook aan de andere (onder c t/m g genoemde) voorwaarden is voldaan.

Als aan één van de voorwaarden niet is voldaan dan hoeft dat niet zonder meer te betekenen dat voor het ter beschikking stellen van een personeelslid btw is verschuldigd. Zo komt het voor dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ondanks de intentie daartoe, niet wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd terwijl wel aan de overige voorwaarden is voldaan. Die omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om de terbeschikkingstelling van het personeelslid dan in de btw-heffing te betrekken. Dat geldt ook in een situatie waarin alleen sprake is van het op juridische gronden niet kunnen toepassen van de cao van de inlener op het ingeleende personeelslid. Ook die enkele omstandigheid hoeft niet te leiden tot btw-heffing over het ter beschikking stellen van het personeelslid. Dat is echter anders als de inlener niet verantwoordelijk is voor de gevolgen die de beëindiging van het inlenen van het personeelslid heeft of kan hebben. Het gaat dan om de gevolgen voor de arbeidsovereenkomst tussen de uitlener en het betrokken personeelslid. Dan wordt inbreuk gemaakt op het wezen van de goedkeuring. Ook is dan de kans reëel dat sprake is van verstoring van de concurrentieverhoudingen ten opzichte van commerciële uitzendbureaus. Het niet voldoen aan de hiervóór onder h geformuleerde voorwaarde heeft dus zonder meer tot gevolg dat voor de terbeschikkingstelling van het personeelslid btw is verschuldigd.

Als vanaf het begin van de terbeschikkingstelling is voldaan aan de hiervóór genoemde voorwaarden dan ontneemt de enkele omstandigheid dat een ter beschikking gesteld personeelslid na verloop van tijd een arbeidsovereenkomst sluit met de inlener niet het structurele karakter aan de uitlening.


Uitzendbureaus

Uitzendbureaus die personeel uitzenden, moeten altijd 21% btw berekenen over deze diensten.


Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend. Laat in individuele situaties altijd een fiscalist een advies uitbrengen.


 

17 weergaven0 opmerkingen

ความคิดเห็น


bottom of page